De perfecte zuster
8 december Door Vera zorgt ook 1 reactie 

Zestien jaar was ik, en zo groen als gras. Vol goede moed begon ik aan de opleiding verpleegkunde.
Ik zou mensen helpen, mensen verzorgen en mensen bijstaan in hun nood. Ik zag mezelf al gaan als
een soort Florence Nightingale, zittend naast de zieken, een helpende hand toesteken waar nodig.
Meeleven, meehuilen, en een daadkrachtige zuster zijn die precies wist wat goed was voor de
patiënt. In de praktijk was ik een onzeker meisje die heel graag wilde maar ook erg weinig durfde.


Eerste stage


Mijn allereerste stage herinner ik me nog goed. Ik ging meelopen in de thuiszorg, het werkveld waar
ik nu ook in werk. Ik zie mezelf nog schuchter achter mijn begeleidster aan lopen. Ik wilde zo graag
praten met de cliënten maar als ik bij ze kwam had ik al geen idee meer waarover. Ik deed mijn best
maar was stil en onzeker. Soms trof ik een begeleidster die dan zei; “ik ga even het bed op maken
hoor”, en me vervolgens alleen liet met de cliënt. Dat hielp. Dat maakte het makkelijker om een
praatje aan te knopen zonder dat ik het idee had dat iemand op me lette. Maar soms ook was er een
collega die zei “je moet wel wat meer van je laten horen hoor!”Ja, en ga dan maar eens spontaan
kletsen…


Onzeker


Hoe graag ik ook wilde, hoe mooi ik het vak ook vond, ik kwam niet uit de verf door mijn
onzekerheid. En dan kwam daar nog de lichamelijke zorg bij. Ook dit wilde ik het liefst met een
stalen gezicht doen. Zo van: ‘niks is mij vreemd hoor mevrouw’, maar dat was het wel. Ik herinner
me nog goed de eerste cliënt die ik naakt zag. Proberend mijn verbazing te verbergen keek ik naar
het blote, rimpelige lichaam van de vrouw op de douchestoel. Ik schaamde me voor mijn eigen
ongemak. Ik was helemaal niks gewend.


De ochtend dat mijn begeleidster aankondigde dat het nu toch wel tijd werd dat ik meneer Jansen
ging wassen in plaats van toe te staan kijken, deed me beseffen dat ik nog niet bepaald was waar ik
wilde zijn. Met het schaamrood op mijn kaken heb ik meneer Jansen die dag geholpen. Ik wilde de
zuster zijn die hem op zijn gemak kon stellen, kon laten merken dat dit voor mij de normaalste zaak
van de wereld was. In plaats daarvan was het andersom: “Het gaat prima hoor meisje. Ik ben wel
wat gewend.”


Het was dus nogal een deceptie. De zuster die ik wilde zijn, was ik niet. Aan het einde van mijn
eerste stage ging ik met de hakken over de sloot.


Overwinning


Wat ben ik blij dat ik nu terugkijkend, kan zien dat het best goed is gekomen. En achteraf heb ik het
wel te doen met dat meisje van toen. Ik keurde mezelf af omdat ik niet voldeed aan het ideaalbeeld
dat ik had van een verpleegkundige. En nog kan ik dat soms doen. Als ik collega’s zie die kwaliteiten
hebben die ik minder heb. Meer lef hebben, meer durven te zeggen. Maar tegelijkertijd kan ik ook
blij zijn met wie ik ben als zuster, als collega. Mezelf accepteren en waarderen met al mijn plussen
en minnen werkt zoveel fijner dan met een vergrootglas naar mezelf kijken.


Iemand zei eens: “je vergelijkt je eigen binnenkant met iemand anders z’n buitenkant.” Zo is het ook.
Als ik me onzeker voel, vergelijk ik dit gevoel met de zelfverzekerde uitstraling van iemand anders.
Terwijl ik vaak helemaal niet weet hoe die ander zich van binnen voelt. Misschien lijken we wel meer
op elkaar dan ik denk.