Onmacht
11 juli Door Merel Vonk 0 reacties 

Het is half drie ‘s middags als ik, zoals altijd, mijn avonddienst begin met een kopje koffie en bekijk wat er op de agenda staat. Je merkt dat het nu echt lente begint te worden; de kou is letterlijk uit de lucht en de zon schijnt uitbundig mijn kantoor in. Mijn stemming slaat direct om naar zonnig en vrolijk neurie ik met de radio mee. Op de agenda staat onder andere een consult bij een terminale patiënt met uitgezaaide kanker, met daarbij de vraag of ik van te voren het dossier van de patiënt wil lezen.


Als ik de kamer van de patiënt binnenkom, neem ik de omgeving in me op. De kamer is helemaal kaal, op de standaard meubels na die je altijd aantreft op kamers van de verpleegafdeling. Er hangt niets aan de muur en persoonlijke spullen ontbreken. Tegen de muur staat een bed met daarin een vermagerde man, die me met grote ogen en een open mond aankijkt. Het lijkt of hij iets wil zeggen, maar hij kan slechts geluiden uitbrengen. Naast het bed zit een oudere dame in een stoel, die diep in gedachten verzonken lijkt te zijn en de man bekijkt zonder echt iets te zien. Ik stel me aan hen voor en vraag of erbij mag komen zitten. De dame, echtgenote van meneer, kijkt me vriendelijk aan en geeft aan dat ze dat fijn zou vinden.

Alleen

Als ik naast mevrouw ben gaan zitten, tegenover het bed van meneer, zeg ik even niets en kijk ik naar de man die in het bed voor me ligt. Gisteren is hij opgenomen vanuit de thuissituatie. Zijn vrouw zorgde voor hem, zonder enkele hulp van familie of thuiszorg. De buurman van het echtpaar zag echter dat dit niet meer ging en schakelde de huisarts in, die zodanig schrok dat er meteen alarm is geslagen. De vrouw, beginnend dementerend, had niet in de gaten hoe ziek haar man eigenlijk was en had er nooit over gedacht om hulp in te schakelen. Kinderen of nabije familie of vrienden hadden ze niet waardoor ze er alleen voor stonden. Nu ligt deze stervende man in een kale kamer van een voor hem onbekend verpleeghuis.

Bang

Het wordt me al snel duidelijk dat meneer dusdanig verzwakt is dat hij niet meer kan praten. Ik besluit daarom gesloten vragen te stellen zodat hij kan knikken of kan schudden met zijn hoofd. Gelukkig lukt dit goed. Wanneer ik vraag of meneer bang is, knikt hij duidelijk ja. Ik kan bijna de hulpeloosheid en angst van meneer voelen als ik vraag of het angst is voor de dood of angst om zijn vrouw achter te laten. Bij beide opties knikt meneer ja en zie ik de angst in zijn ogen groeien. Hij maakt door met zijn handen voor zijn gezicht te zwaaien duidelijk dat hij het niet meer over de dood wilt hebben. Ik respecteer deze wens, hoewel ik weet dat meneer binnen zeer korte tijd zal overlijden.

Pijn

Als ik niets kan doen om de angst van meneer weg te nemen, kan ik wellicht wel bekijken of ik andere symptomen kan verminderen. Bij doorvragen blijkt dat meneer pijn heeft in zijn hele lichaam. In het dossier heb ik gelezen dan hij alle (pijn)medicatie weigert. Als ik hiernaar vraag, beweegt hij wild met zijn armen en schudt hij zijn hoofd; hij wil geen medicatie tegen de pijn. Ik vind het moeilijk te begrijpen dat een patiënt met zoveel pijn die keuze maakt. Daarom probeer ik zijn beweegreden te achterhalen. Dan blijkt dat hij medicatie afwijst, omdat hij denkt dat hij dan sneller doodgaat. Helaas is meneer niet de enige patiënt die dit gelooft en zal hij ook niet de laatste zijn. Ik vraag of ik informatie mag geven aan het echtpaar over pijnmedicatie, maar weer beweegt meneer wild met zijn armen en schudt hij van nee. 

Genoeg gepraat

De wens van de patiënt is altijd mijn uitgangspunt, dus zal ik me in dit geval moeten neerleggen bij het feit dat medicatie om de pijn te verzachten wordt afgewezen. Snel denk ik na over andere interventies die bij een situatie als deze ingezet kunnen worden. Uiteindelijk stel ik aan meneer voor of hij het prettig vindt als ik hem ter ontspanning een hand- of voetmassage geef. Hij fronst zijn voorhoofd en weer schudt hij met zijn hoofd. Ik merk nu aan hem dat hij het gesprek met mij niet meer wilt voortzetten en benoem dit gevoel. Meneer knikt en geeft daarmee aan dat het genoeg is geweest. Met een onvoldaan gevoel neem ik afscheid en verlaat de kamer. 

Hoe help je?

Gedurende de rest van mijn dienst denk ik nog veel na over deze casus. Het geeft me het gevoel van onmacht, maar waarom eigenlijk? Als verpleegkundige willen we alles doen om de patiënt te helpen, maar wat als de patiënt niet geholpen wilt worden? Wordt hij dan door niet te helpen misschien juist wél geholpen?