Sorry dat ik er ben…
23 februari Door Evelien 0 reacties 

Marianne heette ze. Ze was een grote, struise vrouw van achtenveertig jaar. Maar behalve ons geboortejaar, ze was twee maanden ouder dan ik, deelden we verder weinig overeenkomsten. Marianne straalde iets ongenaakbaars uit, maar leek tegelijk heel kwetsbaar. De diepe lijnen rond haar mond en de grote, vermoeide ogen getuigden van pijn, moeite en verdriet. Wat zij meemaakte, mentaal én lichamelijk, zou al heftig zijn in het leven van drie personen.


De achterliggende dagen ging het steeds minder met haar. Toch bleef ze de vermoeidheid en pijn omlijsten met zelfspot. Ze bleef luisteren naar het onduidelijke gebrabbel van een bejaarde medebewoonster van het hospice waar ze sinds drie weken verbleef. Ze gaf de oude dame wat vreugde door haar humor en relativeringsvermogen.

Zorgen

Mariannes arts bood haar de mogelijkheid om naar het hospice te gaan. Hij gunde haar rust en de mogelijkheid om dichter bij zichzelf te komen, juist nu de ziekte steeds duidelijker de overhand nam. Thuis sloeg ze toch weer direct aan het zorgen. Haar verslaafde zoon had haar huis zo ongeveer in beslag genomen en zij ruimde telkens weer de sporen weg die ze niet wilde zien.

Eindelijk rust

Ze besloot naar het hospice te gaan en daar begon ze, zo goed en zo kwaad als het ging, voorzichtig te genieten. Ze voerde ellenlange telefoongesprekken met mensen die ze de laatste tijd een beetje uit het oog was verloren, maar waar ze wel om gaf. Ze genoot van de zorg voor haar, al was het vreselijk moeilijk om dit toe te laten. In het hospice ging ze voor het eerst in haar leven in een bubbelbad. Zo kwam er alsnog een beetje rust in een bijna vijftig jaar durend rusteloos bestaan. Tot vanmorgen.

Grijs

De vrijwilligster van het hospice hoorde een raar, diep kreunend geluid dat ze niet thuis kon brengen. In de kamer trof ze Marianne aan, diep voorover gebogen op de rand van haar bed. Met verwilderde ogen keek ze de vrijwilligster aan. Wetende dat er geen moment te verliezen viel, drukte zij op de bel, waarna mijn collega de zorg voor Marianne overnam. Ook ik werd opgeroepen. Samen met mijn collega zorgden we voor haar. We belden de arts, dienden middelen toe, wasten haar gezicht, legden de kussens goed, pakten haar hand en belden haar zoon. Het geluid dat Marianne maakte leek op een stofzuiger op lage toeren. Haar gezicht was grijs en haar ogen leken nog groter dan ze al waren. Het enige wat mijn collega en ik konden doen, was handelen en er voor haar zijn.

Sorry

Haar neus en haar mond lekten vocht en met een doekje veegde ik het weg. “Sorry,” stamelde ze en even later weer: ”Sorry.” Zelfs nu nog verontschuldigde ze zich voor het ongemak dat ze ons, in haar ogen, bezorgde… Ik kreeg er tranen van in mijn ogen en onmachtig pakte ik haar hand nog maar even wat steviger vast. “Sorry?!” dacht ik, “ík moet sorry zeggen! Namens al die mensen die jou dat leed hebben aangedaan. Sorry dat je door hen nooit hebt leren genieten, gewoonweg omdat er niets te genieten viel. Overleven moest je… Sorry voor de ouders die alleen maar op zichzelf gericht waren, sorry voor de school die niet begreep dat de omstandigheden je gevormd hadden tot een hard en niet toegankelijk meisje met een scherpe tong. Sorry voor de liefde die geen liefde was, sorry voor de zooi die je jongen ervan heeft gemaakt. Sorry voor de steeds verder uitzaaiende tumoren en tenslotte de overhand kregen. Sorry voor de korte tijd die artsen tijdens hun spreekuur hebben, maar vooral sorry voor de momenten die ik er misschien voor je had kunnen zijn terwijl ik het niet heb geweten. Sorry.”

Einde

De toegediende middelen deden hun werk; Marianne werd rustiger en zakte weg in een diepe slaap. Toen we haar draaiden naar een comfortabele slaaphouding zagen we haar kleur nog kleurlozer worden dan deze al was. Inmiddels was de huisarts gearriveerd en ook hij stond aan haar bed toen ze nog een laatste diepe zucht slaakte en weggleed uit haar leven. De benauwdheid was ten einde… Mijn collega en ik gingen verder met zorgen en regelen. Handelen helpt om te plaatsen en te verwerken. Misschien gaf ik haar daarom ook wel aan het einde van onze dienst een knuffel. “Bedankt, het was goed vandaag!” Eenmaal thuis heb ik een flink eind gewandeld. En tóch blijft sindsdien die vraag maar door mijn hoofd spoken: ‘Hoe voorkom ik zo veel mogelijk sorry’s in mijn leven?’