We stoppen…
23 maart Door José De Boer 0 reacties 

Om 14.00 uur stap ik vol goede moed in de auto op weg naar het ziekenhuis. Daar gaan we weer: late dienst nummer drie. Ik heb een blok van vier late diensten deze week. Gisteren was het druk en daarom ben ik benieuwd hoe het vandaag met mijn patiënten gaat. Gauw een pak halen en op naar de derde verdieping en daar omkleden… Fluitend loop ik de afdeling op.
 

Het oogt iets chaotisch wanneer ik mijn collega’s begroet. Ik zie dat ik dezelfde patiënten als gisteren heb. Ook staan er twee ontslagen gepland. Het is een late dienst die begint zoals alle andere: ik word overgedragen door mijn dagdienst-collega’s en neem de planning met mijn stagiaire door. We hebben weinig te bespreken, want gisteren hebben we ook al gewerkt.

Ut giet wol

Om 16.00 uur worden de eerste twee spoedopnames aangekondigd, beide patiënten komen op ons ‘stukje’. Mijn collega neemt een opname van mij over en ik neem een meneer op van 77 jaar met decompensatie cordis en een cellulitis-been. Het gaat deze meneer allemaal wat snel, hij is tenslotte al bijna tachtig en heeft altijd alleen gewoond. Zodoende doet hij alles op zijn eigen tempo. Als ik vraag hoe het met hem gaat en hoe het thuis ging, antwoordt hij “Ut giet wol’’. Nadat we alle werkzaamheden hebben gedaan, is het alweer 18.45 uur en tijd voor een hapje eten.

Paars

Precies een uur later beginnen we met onze ronde. We meten de vitale functies en maken de patiënten klaar voor de nacht. Met mijn stagiaire spreek ik af dat ik op kamer 1 begin en zij op kamer 3. Maar ik heb nog niet de bloeddrukband aangesloten of ze komt al met een rood hoofd aanrennen. “Help, meneer X is niet meer aanspreekbaar!” ‘Meneer X,’ bedenk ik me, ‘was die patiënt die we net hebben opgenomen.’ Ik ren met haar mee en zie een levenloos, paars lichaam in het bed.

Mijn eerste reanimatie

Ik schrik, druk op de assistentiebel en begin met reanimeren, want ik weet dat deze meneer een volledig beleid heeft. Er gaat van alles door me heen terwijl ik ‘een A BELEID!’ naar mijn collega schreeuw. Die komt aanrennen met de crashcar en neemt het reanimeren over. Ik bel ondertussen het reanimatieteam. Op dat moment gaat alles super snel. Het reanimatieteam komt en er wordt onwijs goed samengewerkt. Inmiddels zijn de drie andere patiënten van de kamer gehaald en wordt de rest van de afdeling gerund door mijn andere collega’s en stagiaire. Ik blijf bij de reanimatie en help daar waar het nodig is. ‘Mijn eerste reanimatie!’ schiet door mijn hoofd. Wat hoop ik dat deze man het gaat redden... Toch zie ik in dat dat niet het geval is. Ook het team dat met meneer bezig is, weet dit.

Stoppen

Na een reanimatie van ongeveer veertig minuten wordt besloten om te stoppen. Iedereen is het ermee eens: het heeft geen zin meer. Op dat moment staat de wereld even stil. We ruimen alle spullen op en dekken meneer toe. Mijn collega’s leggen hem af en brengen hem naar het mortuarium. De arts belt de contactpersoon. Hij blijkt een verre vriend die wel eens de krant bij meneer bracht, maar verder ook weinig contact had. ‘Tragisch,’ denk ik, ‘wat moet hij eenzaam zijn geweest. Toch realiseer me dat dit misschien wel helemaal niet zo hoeft te zijn.

Een goede reanimatie

We evalueren de situatie en komen tot de conclusie – voor zover dat kan – dat het een ‘goede reanimatie’ is geweest. Ik sta ervan versteld hoe je in zo’n situatie op de automatische piloot handelt. Dan vraag ik mijn stagiaire hoe het met haar gaat en gelukkig maakt ook zij het goed. Samen evalueren we haar handelen waarna we besluiten om onze werkzaamheden samen te hervatten. Vanavond komen andere afdelingen ons helpen. Hoewel het in mijn hoofd nog een beetje een chaos blijft, herpak ik mezelf snel weer.

Nooit meer vergeten

Om 23.00 uur draag ik over en het is middernacht als ik in de auto stap. Verbazingwekkend toch hoe het menselijk lichaam in elkaar zit, maar vooral hoe het binnen no time afgelopen kan zijn… Sommige dingen in je carrière blijven je bij. De eerste keer iemand wassen, je eerste overlijden en nu dan deze avond: mijn eerste reanimatie. En één ding weet ik heel zeker; ook deze ga ik nooit meer vergeten. Zo rijd ik naar huis en denk ik aan morgen: benieuwd wat late dienst nummer vier voor mij in petto heeft!