5 vragen aan Anneke van der Plaats
7 september 2 reacties 

Tijdens het congres ‘De nieuwe wondere wereld van dementie’ vertelde dr. Anneke van der Plaats alles over de werking van het brein en dementie. Zij vertelde onder andere hoe je met de juiste bejegening en een positieve leefomgeving het grootste deel van probleemgedrag van ouderen met dementie op kunt lossen.

Dr. Anneke van der Plaats is sociaal geriater en mede-auteur van ‘De wondere wereld van dementie’ en ‘Het demente brein’. Daarnaast is zij oprichter van het BreinCollectief, een groep deskundigen die zich bezighoudt met mensen met een hersenaandoening. 

  1. Hoe zit het precies met de invloed van de omgeving op het gedrag van mensen met dementie?

    “Ik werk al heel lang in de ouderenzorg en altijd vanuit de gedachte dat ik mensen een leuk leven wil bezorgen. Want vroeger was dat in de verpleeghuizen echt niet vanzelfsprekend. Er was alleen één vraag waar ik niet uitkwam: wat gaat er in het hoofd van demente mensen en psychiatrische patiënten om dat ze zich zo gedragen dat je ze soms wel achter het behang kunt plakken? Dat doen ze echt niet expres, was mijn overtuiging. Samen met een aantal collega’s ben ik me gaan verdiepen in de hersenkunde en zijn we de hersenkunde toe gaan passen op dementie. Het was de ontdekking van mijn leven. Want als je weet waar het gedrag vandaan komt, dan weet je ook hoe je het op kunt lossen. Hoe meer je brein is aangetast, hoe meer je gedrag afhankelijk wordt van de omgeving. En de omgeving kan positief of negatief zijn. Is de omgeving gunstig, dan zal ook het gedrag gunstig zijn en andersom.”

  2. Wat maakt een omgeving ongunstig?

    “Een ongunstige omgeving is bijvoorbeeld een omgeving met te weinig prikkels. Demente mensen hebben dynamische prikkels nodig, zoals beweging en geluid. Als ze een tekort hebben aan prikkels, gaan ze op zoek naar prikkels. Daarom zie je mensen vaak eindeloos door de gangen lopen, want als je loopt komt de wereld om je heen in beweging. Sommigen worden zo moe van al dat lopen, dat je ze struikelend door de gangen ziet gaan. Met het risico dat ze vallen. Beschadigde hersenen kunnen ook niet tegen de stilte. Vandaar dat je demente mensen nooit op hun eigen kamer ziet zitten. Hun hersenen vangen in zo’n stille kamer helemaal geen prikkels op. Alles staat voor hen stil. Als ze een paar seconden gezeten hebben, gaan ze dan ook weer verder.”

  3. Hoe kun je zorgen voor een gunstige omgeving?

    “Je kunt prikkels aanbieden door in de gangen beleefplekjes te maken. Kleine hoekjes waar iets te zien of te horen is. Je moet verschillende kleine hoekjes hebben die vanuit de verte goed te zien zijn en waar er minimaal één dynamische prikkel is. Dan gaan de mensen erop af. Ik heb bijvoorbeeld in een verpleeghuis een herenhoek gemaakt met een staande klok en een ouderwetse fauteuil. En voor de vrouwen een babyhoek. Het mes snijdt aan twee kanten: mensen die te veel lopen, die stoppen op een beleefplekje om even rustig te zitten. En de mensen die te weinig lopen, worden door de familie gevraagd om eens te gaan wandelen. Ook de mensen met dementie die ’s nachts rondlopen – en dat zijn er heel veel - hebben een tekort aan prikkels. Voor hen maken we bewegende lichtjes op het plafond in hun kamer, dan zijn ze zo in slaap. Dan heb je geen pillen meer nodig.
    Deze dingen gelden overigens niet alleen voor het verpleeghuis, maar ook voor thuis. Maak een fijn hoekje (beleefplekje) in de kamer waar de persoon met dementie alle leuke dingen om zich heen heeft staan en in zijn eigen lekkere fauteuil kan zitten. En zorg ervoor dat hij vanuit zijn fauteuil de hele kamer kan overzien, met name de deur, waardoor mantelzorger én bezoek naar binnen komen."

  4. Laatst was het weer in het nieuws: ouderen met dementie gedragen zich regelmatig agressief. Waar komt dat gedrag vandaan?

    “Je hebt een bovenbrein, dat is je denkende brein, en een onderbrein, dat is je gevoelsbrein. In je gevoelsbrein zit de zogenaamde amandelkern, ofwel de angstkern. Als er iets onverwachts gebeurt, dan slaat de angstkern aan. Gevaar! Omdat wij ons denkende brein hebben, kunnen we het angstgevoel beredeneren en kunnen we kiezen hoe we op de angst reageren. Maar mensen met dementie hebben geen toegang meer tot het bovenbrein. Bij hen slaat de angstkern veel sneller aan. Die angst wordt onmiddellijk omgezet in een reactie van vechten of vluchten. Vechten uit zich eerst verbaal. Bijvoorbeeld: ‘Wat moet jij hier? Donder op’. Als de angst niet weggenomen wordt, volgt er een tik of klap. Vluchten uit zich in niet mee willen doen of niet mee willen werken. Je krijgt dan reacties als ’nee, ik wil geen pil, ik hoef geen pil’. Als je dan doorgaat, wordt het gegarandeerd vechten. Dat zijn allemaal reflexen van het emotionele onderbrein.”

  5. Wat kun je als verzorgende of verpleegkundige doen om het beter aan te pakken?

    “Als mensen steeds niet willen doen wat jij vraagt of als mensen beginnen te schelden, denk dan niet direct ‘wat een agressieve mevrouw’ of ‘ach, dat doet ze nou eenmaal’. Maar vraag je af: wat heb ik gedaan waarom deze mevrouw zo extreem angstig wordt dat ze met mij wil gaan vechten? Het mooie is, dat demente mensen van buiten zijn, zoals ze zich van binnen voelen. Dus als jij op een vrouw afkomt en ze is bang, dan zie je dat. Je moet daarvoor wel op haar gezicht letten en goed kijken. Sommige verzorgenden of verpleegkundigen zijn zo met hun tijdschema bezig, dat ze dat vergeten. Als je kordaat op een mevrouw afkomt en je ziet dat ze angstig is, houd dan je pas in en kom lief en langzaam naderbij. Er zijn nog veel meer dingen die je kunt doen. Wij kijken altijd eerst naar de bouw en inrichting. Dan is soms al bijna de helft van het probleemgedrag opgelost. Daarna gaan we kijken naar de werkprocessen, zoals de broodmaaltijd en de warme maaltijd. Daar kun je ook heel veel winst behalen. Het fijne is dat als je het goed doet, je ook nauwelijks meer probleemgedrag hebt. Je hebt dan minder werk, waardoor je tijd over hebt om leuke activiteiten met de mensen te ondernemen.”

 

Lees meer over het Breincollectief op: www.breincollectief.nl.